• Document: literaire klassieken - reeks onderbouw J.J. Cremer Fabriekskinderen
  • Size: 1.05 MB
  • Uploaded: 2019-03-14 10:54:13
  • Status: Successfully converted


Some snippets from your converted document:

literaire klassieken - reeks onderbouw J.J. Cremer Fabriekskinderen 1 Inhoud Fabriekskinderen: Vooraf 3 Fabriekskinderen: Het verhaal 4 Kinderarbeid in Nederland 28 Video’s over kinderarbeid Er zijn op internet honderden websites en clips te vinden over kinderarbeid. Om je alvast op weg te helpen zijn hier 4 links naar videoclips. - Jan Jacob Cremer, tegenstander van kinderarbeid - Kinderarbeid in de 19e eeuw - De omstandigheden in de fabrieken in de 19e eeuw - Het verzet tegen kinderarbeid in Nederland Colofon Dit bulkboek is vormgegeven door Natascha Frensch (www.natascha-frensch.nl) en samengesteld door Theo Knippenberg voor Bulkboek.nl (info@bulkboek.nl). 2 Vooraf Het is een koude winternacht in 1863, als dit verhaal begint. We zijn in Leiden, de oude universiteitsstad. De ‘moderne tijd’ is aangebroken. Als een van de eerste steden ter wereld heeft Leiden al door de hele stad straatverlichting, lantaarns die branden op gas. En net als veel andere steden profiteert Leiden van de nieuwste grote uitvinding, de stoommachine. Dankzij de stoommachine, die de energie kan leveren om andere machines mee te laten draaien, zijn er ook in Leiden veel fabrieken gebouwd. Veel fabrieken, dat betekent werk voor veel mensen. Maar veel fabrieken betekent ook vooral: Veel kinderabeid. In 1864 was kinderarbeid in Nederland heel gewoon. Verreweg de meeste kinderen moesten werken. Bijna een half miljoen kinderen tussen de 6 en 12 jaar oud, op een totale bevolking van nog geen 4 miljoen inwoners, moest lange dagen werken. De schrijver Jan Jacob Cremer heeft, na lang aandringen van een tegenstander van kinderarbeid, in 1963 enkele wol-spinnerijen in Leiden bezocht. Hij is zo ontdaan door wat hij daar zag, dat hij het verhaal ‘Fabriekskinderen’ heeft geschreven. Met dit boek wil hij heel Nederland laten weten hoe verschrikkelijk kinderarbeid is. En dat kinderarbeid in de fabrieken afgeschaft moest worden. Daarom neemt de schrijver ons in dit verhaal mee, en laat ons zo zien wat hij zelf gezien heeft. 3 1 ‘t Is winter. Koud was de decembernacht, en ijzig koud is nog zijn vroege morgen. Zes slagen bromt de klok uit Leidens hoogste toren. Door de Breestraat en de Hoogewoerd voert onze weg naar een van de achterbuurten in de stad. Bij het licht van een gaslantaarn zien wij, op weinige passen afstand, een armoedige woning. Haar bouw herinnert aan Leidens glorievolle tijd, de Gouden Eeuw, toen haar inwoners kloek waren en sterk, en streden voor recht en voor vrijheid. Niets is er aan die gevel veranderd; alleen zou u overdag kunnen zien, hoe de kleine raampjes van voorheen, naar de eisen van de nieuwe tijd, door een wat groter soort zijn vervangen. Vroeger kon de zon slechts weinig in die woning schijnen; maar nu ....? Helaas! U ziet in het donker niet hoe die grotere ramen voor ‘t meeste deel met een vettig stof zijn overdekt, hoe er veel zijn gebroken en slechts ruw met ondoorschijnend papier werden beplakt. Zodat er nu in die armoedige woning, overdag, nog minder licht straalt dan vroeger, en - dat is bedroevend, erg bedroevend! Maar stil, ik moet mij inhouden. Goed, volg mij in de kleine woning. De kamer, waarin wij al meteen door de voordeur binnenkomen, zou volledig donker zijn, als de gaslantaarn daarbuiten, door het eerder genoemde raam, niet een klein beetje licht naar binnen scheen. Het zwaar gesnurk van een man, naast de lichtere of snellere ademhaling van enkele slapende kinderen, treft onze oren. Juist op dit ogenblik luidt de grote torenklok het zesde uur na middernacht. In de bedstee waaruit het nare gesnurk blijft 4 klinken, hoort u, tegelijk met de eerste klokslag daarbuiten, iets bewegen. ‘t Is een vrouw die zich haastig opricht. Met een nijdig: ‘Snork toch zo niet!’ geeft zij de man naast haar een stomp op de schouder. Ze luistert - terwijl het nare geluid een tijdje stopt, aandachtig naar de doffe klokslagen uit de verte. ‘Zes!’ bromt de vrouw binnensmonds; rekt zich geeuwend uit; stapt nu snel uit de hoge bedstee, en sloft een ogenblik later op neergetrapte pantoffels naar een andere bedstee. Drie kinderen slapen er bijeen; twee jongens van tien en dertien jaar, en een meisje van bijna twaalf. In de slaapstee van de ouders kreunt een baby van enkele maanden, waarschijnlijk nu het merkt dat moeder hem verliet. En in in het wiegje er voor, droomt een meisje van vier jaar misschien, met een droevig lachje om de mond, van mooie winkels met allerlei brood. ‘Toe kinders, er uit!’ roept de moeder met schrille stem het slapende drietal toe. en als zij de armoedige dunne deken heeft weggeslagen, dan trekt zij de oudste jongen aan de arm. Het is Evert die, langzaam ontwakend met lodderige ogen voor zich uit kijkt, terwijl zij verder op dezelfde manier de twee andere kinderen p

Recently converted files (publicly available):